• 978-90-5999-9053

Recensies

Afgelopen dinsdag hield minister Frans Timmermans van Buitenlandse zaken in de Tweede Kamer een fel betoog tegen antisemitisme, racisme, discriminatie en islamofobie. De bewindsman noemde antisemitisme ‘een van de grootste bedreigingen voor Europa’, ‘een uiting van de donkerste delen van de Europese ziel’ en ‘een van de demonen die ons Europeanen al jarenlang achtervolgt’:
“… ‘Als het slecht gaat, zoeken we naar een zondebok. Joden, zigeuners en tegenwoordig ook moslims. Als iets het Europese project bedreigt, is het dit. Die neiging moeten we gezamenlijk onderdrukken.’ ‘Het zit in ieder mens om de ander weg te zetten’, vervolgde Timmermans, ‘maar het is de triomf van de menselijkheid om dat te overwinnen, om dat niet toe te laten…” (N.D. 28.05.14).

Een van de demonen die ons Europeanen al jarenlang achtervolgt
Ik moest hieraan denken toen ik “Ik zal leven” dicht sloeg. Want het meest wrange aan heel het verhaal van Henry Orenstein, die als Poolse jongen - hij was 16 toen de oorlog begon - maar liefst, en voor zover ik goed heb geteld, vijf (!) concentratiekampen overleefde, is dat toen hij eindelijk terug keerde naar zijn oude woonplaats, het advies kreeg de stad te verlaten. De Polen die hun intrek in het huis van zijn vader hadden genomen waren van plan hem te vermoorden: “… Hoewel er van de 3,3 miljoen Joden die het land vóór de oorlog rijk was nog maar zo’n vijftigduizend over waren, was dat voor veel Polen nog steeds te veel. Op een dag zat ik in een park in ?ód? een krant te lezen. Ik ving een gesprek op van twee Poolse vrouwen die aan de andere kant van de bank hun lunch aten. ‘Eén ding heeft Hitler in ieder geval goed gedaan: hij heeft ons van de Joden verlost,’ merkte één van hen op. De ander zei: ‘Ja, maar hij had het werk moeten afmaken.’…”. Wat hem betrof was de maat vol. Er van overtuigd dat ondanks al het oorlogsleed de meerderheid van het Poolse volk niet was veranderd en altijd antisemitisch zou blijven, emigreerde Orenstein naar Amerika: “… De Verenigde Staten openden hun deuren voor meer dan honderdduizend overlevenden van de Holocaust…”.
Al vanaf de middeleeuwen woonden er Joden in zijn geboortestad Hrubieszó. Ze maakten deel uit van een Joodse migratie van West-Europa naar het oosten die, onder druk van slachtingen door de kruisvaders en veel andere religieuze vervolgingen, in de elfde eeuw was begonnen en honderden jaren doorging. Ze integreerden niet: “… Veel Joden spraken geen of hooguit gebroken Pools. Thuis spraken ze Jiddisch en ook hun cultuur en gewoonten waren anders, net als hun uiterlijk: de meesten hadden een baard en lange bakkebaarden, en droegen een keppeltje en een zwarte kaftan…”. Op allerlei burgerrechten, privileges en inkomstenbronnen konden ze geen aanspraak maken. Alleen met ambachtswerk en handel drijven viel wat te verdienen. Het was armoe troef. Daarom zochten sommige Joden hun heil in twijfelachtige zakenpraktijken; waardoor de hele groep met argusogen werd bekeken.
Overal ontmoette Henry Orenstein antisemitisme. Op jaarmarkten en braderieën hadden boeren bij voorbaat al lege zakken en dozen bij zich, in de hoop op een escalatie van geweld of een regelrechte pogrom, waarbij ze Joodse huizen en winkels konden plunderen. Op school werd hij getreiterd en uitgescholden. Op het gymnasium was het normaal dat de beste leerling aan het eind van het jaar een prijs kreeg. Toen zijn klas aan de beurt was zei de directeur doodleuk dat niemand het vereiste niveau had gehaald, om te voorkomen dat de prijs naar Henry ging, die alleen maar negens en tienen binnen sleepte. Hierdoor liet hij een tijdje de moed zakken, leerde niet meer, maar uiteindelijk wist hij zich te herpakken. En toen brak de oorlog uit…

Obsessie
Het levensverhaal van Henry Orenstein - voor het eerst uitgegeven in 1987, en eindelijk prachtig vertaald door Richard Kettmann - leest als een avontuurlijke jongensroman, waardoor het een breed lezerspubliek zal aanspreken, denk ik. Orenstein vertelt dat boeken een obsessie voor hem werden nadat hij zichzelf op zijn vierde (!) had leren lezen. Eerst las hij alle westerns die hij in de bibliotheek kon vinden, en daarna stapte hij over op misdaadverhalen – wat misschien zijn spannende stijl verklaart: “… Op een avond toen ik een jaar of zes was, zat ik aan mijn tafel met een thriller waarvan de Poolse titel ongeveer luidde: ‘De broederschap van de grote kikker’. Het ging over een moorddadig en geheim Engels genootschap en ik zat er helemaal in, toen mijn moeder binnenkwam om te vertellen dat ik naar bed moest. Ik beloofde haar dat ik dat binnen enkele minuten zou doen, zodra ik het hoofdstuk uit had. Maar ik zat zo diep in het verhaal dat ik niet meer kon stoppen. Het was zo spannend dat ik me zelfs niet durfde te bewegen, en bovendien kon ik me niet van het boek weg rukken. Het was midden in de nacht toen ik het uit had. Ik was zo bevangen van angst dat ik alleen recht voor me uit kon staren. Ik durfde noch naar links, noch naar rechts te kijken. Zelfs mijn ademhaling was oppervlakkig, uit vrees dat de slechterik me te grazen zou nemen. Ik bleef tot een uur of vier ’s morgens in die versteende houding zitten, tot mijn moeder wakker werd en zag dat het licht in mijn kamer brandde…”.
Later vertelt hij hoe hij tijdens een razzia acht dagen en nachten overleefde in een zogeheten skrytka, een geheime schuilplaats achter een dubbele wand in een woonhuis, die zo nauw was dat hij zich amper kon bewegen, door zich te verliezen in “Gejaagd door de wind”. Alleen de laatste twintig bladzijden ontbraken - hoe het afliep: daar kwam hij niet achter.

Overgave
Toen Hitler Polen onder de voet liep besloten de mannelijke leden van het gezin Orenstein – vader met vier zonen – richting Rusland te vluchten. Ze dachten dat vrouwen en oude mensen nog wel betrekkelijk veilig zouden zijn, dus de vrouwen – moeder en dochter – bleven thuis. Ze vielen van de regen in de drup: Stalin stuurde veel vluchtelingen naar Siberische werkkampen. Bovendien viel Hitler Rusland binnen. Na drie jaar lukte het de mannen ongezien terug te keren naar hun voormalige woonplaats. Steeds weer glipten ze door de mazen van het net als er op Joden werd gejaagd. Op een gegeven moment waren ze het onderduiken en constant op hun hoede zijn zo moe dat ze besloten zichzelf aan te geven. De kinderen kregen het voor elkaar om door de Gestapo te werk gesteld te worden, maar hun ouders, die toen beiden al in de zestig waren, werden in een vrachtauto gedreven, en naar een executiekuil gereden: “… Na de bevrijding heb ik me nog jarenlang schuldig gevoeld over het feit dat ik niet met mijn ouders was meegegaan. Maar met het verstrijken van de tijd ging ik inzien dat het een grote fout zou zijn geweest als we bij hen waren gebleven. Ze kwamen op een vreselijke manier aan hun einde, maar ze stierven in de wetenschap dat wij waren ontsnapt en nog een levenskans hadden gekregen. Uit mijn moeders laatste oproep aan Fred, ‘Red de kinderen!’, bleek dat ze geloofde dat er nog hoop voor ons was. Ook mijn vader maakte zich de laatste maanden van zijn leven alleen maar zorgen om ons en totaal niet om zichzelf. Het zou voor hen ondraaglijk zijn geweest om getuige te moeten zijn van de moord op hun vijf kinderen…”.
Toen het werk dat o.a. bestond uit het leeghalen van de huizen van gedeporteerde Joden zo’n beetje gedaan was, begon Orenstein’s tocht langs verschillende concentratiekampen: Budzy?, Majdanek, Plaszów, Ravensbrück, Sachsenhausen.

De harde werkelijkheid
Orenstein vertelt over het sadisme waarmee – soms zelfs Joodse - bewakers te keer gingen, en dat zo gruwelijk was, dat ik het niet kan navertellen. Hij vertelt over de ‘muzelmannen’, de ‘levende lijken’, de mensen die op sterven na dood waren, en rondschuifelden als zombies omdat ze niet meer in staat waren hun voeten op te tillen. Eigenlijk viel er alleen te overleven als je op de een of andere manier geld had weten mee te smokkelen en ‘zaken’ kon doen. Corruptie tierde welig. Over de kampbewoners: “… Omdat Ravensbrück mijn vierde concentratiekamp was, zag ik bepaalde overeenkomsten in het gedrag van gevangenen. Ik verdeelde hen in vier hoofdgroepen. Een klein aantal gevangenen was gewoon wreed van nature. Veel van hen werden Kapo of Stubenälteste. Het overgrote deel van de rest leefde vooral voor zichzelf. Binnen enkele dagen na aankomst in het kamp begonnen ze te stelen, te bedelen en voor te dringen, zonder met anderen rekening te houden. De derde groep bestond uit mensen die eerlijk waren en niemand wilde kwetsen, maar ook niets deden om een ander te helpen. Hun houding was: val mij niet lastig, dan val ik jou niet lastig. Ten slotte waren er enkelen, zoals Richie en Bencio, die altijd vriendelijk en waar mogelijk behulpzaam waren en nooit misbruik maakten van andere gevangenen. Zij waren de morele elite en gedroegen zich altijd op een manier die hun ‘klasse’ verraadde, hoe beroerd de omstandigheden ook waren. Ze stonden zichzelf niet toe te verwilderen en gedemoraliseerd te raken. In de harde werkelijkheid van het concentratiekamp was het onmogelijk je anders voor te doen dan je was. Je ware natuur viel niet te verbergen. Ze was voor iedereen zichtbaar…”. Ik bedacht dat de verhoudingen in de ‘gewone’ maatschappij waarschijnlijk minder anders zijn.
Het is aangrijpend hoe Orenstein over vrouwenkampen schrijft. Als jonge jongen hoopte hij dat vrouwen minder wreed waren dan mannen, maar sommige vrouwen overtroffen
hun mannelijke collega’s in kwaadaardigheid.

Geloof
Veel oprecht gelovige gevangenen vonden het moeilijk in God te blijven geloven: “… Nadat ze de moord op hun kinderen, hun ouders, hun broers en zussen hadden meegemaakt, vroegen ze zich af: ‘Als er een God is, hoe kan Hij dit dan laten gebeuren?’ Maar sommigen bleven rotsvast vertrouwen. Ze stierven met een lied op hun lippen: ‘Sjima Israël, Adonai Elohenoe, Adonai Echad’ (Hoor, o Israël, de Heer onze God, de Heer is één). Een man in het Jatkowakamp, Velvele, bleef elke dag bidden, met gebessjaal en al. Toen we een keer samen aan het nieuwe Gestapogebouw werkten, vroeg ik hem: ‘Velvele, ze hebben je vrouw en je kinderen vermoord, hoe kun je nou nog steeds bidden?’ Velvele dacht een moment na, haalde zijn schouders op en zei: ‘Tomer’ (Voor het geval dat). Als zou blijken dat God toch bestond, wilde Velvele in elk geval aan zijn kant staan. Maar de meeste jonge mensen dachten er niet over om zich in deze tijd van dood en wanhoop tot God te keren…”.
Orenstein vertelt dat hij zelf voor en tijdens de Holocaust niet speciaal gelovig was, maar dat na een lange tijd wel is geworden: “… Ik geloof dat de Schepper van dit universum, dat zo complex en toch volmaakt harmonieus is en waarbij de prestaties van de mens in het niet vallen, in wezen niet wreed kan zijn. Dus wat we op aarde ook moeten doormaken en hoe bar ons individuele lot ook is, de verklaring moet wel zijn dat ons bestaan deel uitmaakt van een groot mysterie. Een mysterie dat we, althans tijdens dit leven, nooit zullen begrijpen. Omdat we met logica niet verder komen, zullen we moeten geloven dat God, die de macht had om het universum en zijn ontzagwekkende verschijnselen te scheppen, ook wijs en rechtvaardig is. Het volmaakte van zijn grote ontwerp strookt niet met wreedheid en moord. Het antwoord is alleen te vinden in het mysterie, dat in ons aardse leven ongrijpbaar en onbegrijpelijk zal blijven. Het enige wat we kunnen doen, is proberen zijn wil te doen, voor zover we daar zicht op hebben. En dat betekent dat we onze medemens rechtvaardig behandelen en proberen te helpen…”. Ik vind het heel bijzonder dat iemand, na zoveel ellende te hebben gezien, toch kan geloven in een goede God.

Joodse superbreinen
Orenstein vertelt hoe hij de kampen overleefde door zich als zogenaamde wetenschapper, bij een ‘Chemiker Kommando’ aan te sluiten, dat aan een bijzondere wetenschappelijke uitvinding zou gaan werken : “… Een gas dat in staat zou zijn om alle motoren tot stilstand te brengen. Dit gas zou vooral worden ingezet tegen vliegtuigen, tanks en vrachtwagens, zodat het vijandelijke leger doeltreffend geïmmobiliseerd kon worden…”. Vanaf het begin was duidelijk dat het plan zo nep was als maar kon, maar van hogerhand werd het wel geslikt. Waarschijnlijk probeerden Duitse hoogopgeleiden op deze manier te voorkomen dat ze alsnog het leger in werden gestuurd. Alleen wie in de wapenindustrie werkte, of de concentratiekampen moest bewaken, kwam daar onderuit. Vandaar dat de kampopzichters op het eind van de oorlog ook probeerden de kampen vol te houden, en minder lukraak gevangenen fusilleerden.
Op het einde van de oorlog, tijdens de zogeheten ‘dodenmars’ (iedereen die niet mee kon komen werd zonder pardon neergeschoten; de weg lag bezaaid met lijken en paardenkadavers) waarbij concentratiekampbewoners van Sachsenhausen naar Rostock werden gedreven, opende Orenstein op een ochtend zijn ogen en merkte dat zijn bewakers waren verdwenen.
Wat "Ik zal leven" zo bijzonder maakt is dat Henry Orenstein zijn persoonlijke lot op een ongelooflijk heldere manier op het verloop en de geschiedenis van WO II betrekt."
Evelien de Nooijer
‘Ik zal leven’ is het getuigenis van hoe Henry Orenstein als Poolse Jood de holocaust overleefde. Het boek verscheen reeds in 1987 in de VS, maar werd nu pas vertaald naar het Nederlands.

Het gezin Orenstein leefde voor de tweede wereldoorlog in het Poolse stadje Hrubieszów, samen met acht- of negenduizend volksgenoten. Henry kende er een redelijk gelukkige en welvarende jeugd, groeide op in een warm nest, maar ondervond aan de lijve dat het antisemitisme steeds aanwezig was. Toen hij zestien was, brak de oorlog uit. Er brak een spannende tijd aan waarbij leden van het gezin heen en weer verhuisden, omwille van hun veiligheid. Ingesloten tussen het Rode Leger, de Nazi’s en steeds vijandiger Poolse buren, probeerden ze op een menswaardige manier te overleven. Heel vaak gebeurde dat ondergedoken in geheime schuilplaatsen. In 1942 sloot het net van de Nazi’s zich om hen heen. Henry’s ouders werden geëxecuteerd – massaexecuties waren de orde van de dag – en de kinderen werden naar concentratiekampen gestuurd. Vier broers en een zus. Ze kwamen achtereenvolgens in de kampen Budzýn, Majdanek, Plaszów, Ravensbrück en Sachsenhausen terecht. De broers verloren hun zus na enige tijd uit het oog en hebben haar nooit teruggezien. De jongens slaagden er bijna tot op het eind in om samen te blijven.

In het boek vertelt Henry over zijn jeugd- en zijn kampervaringen. Het is een bijzonder triest boek en hallucinant in de manier waarop nuchter en zonder opsmuk verteld wordt tot welke wreedheden beschaafde, twintigste eeuwse mensen in staat waren. Kampbewakers, gevangenen en zelfs Joodse collaborateurs schepten er genoegen in om mensen te mishandelen, te vernederen en te doden. Hele steden en dorpen werden systematisch afgestroopt op zoek naar Joodse untermenschen, die afgevoerd werden naar de kampen. Bijna zes miljoen Joden (ongeveer de hele beolking van Vlaanderen) werden uitgeroeid. Neergeschoten, vergast, uitgehongerd, in zee gedreven, doodgeknuppeld. Met veel geluk, een beetje wijsheid en ook wat list slaagden drie van de vier broers erin om de gruwelen te overleven.

Het is geen prettig verhaal om te lezen, maar wel uitermate spannend. Je wil echt doorlezen tot het eind. Je beleeft dag aan dag wat Henry meemaakt: zijn pijn, zijn honger, zijn kou, zijn hoop, zijn overlevingsdrang. Uiteindelijk, na bijna zes lange ellendige jaren, komt zijn bevrijding en hereniging met zijn broers Sam en Fred. Zijn broer Felek en zus Hanka werden doodgeschoten in de laatste dagen voor de bevrijding.

Over God wordt niet veel gezegd. Alleen dat vele Joden in de kampen afhaakten van het geloof… Waar was God in de kampen? Vele anderen hielden zich aan God vast en vonden net in hun geloof de steun en de hoop die nodig waren om mens te blijven. Het is duidelijk dat Orenstein bij die laatste categorie hoorde, maar ook zijn broers spelen een grote rol in zijn wil om te overleven, net als zijn verlangen om Hitler tenonder te zien gaan. Dit boek is zeker zo belangrijk als het alom bekende dagboek van Anne Frank of ‘De Schuilplaats’ van Corrie ten Boom. Het bevat bovendien veel meer concrete informatie over wat zich in de concentratiekampen heeft afgespeeld.

Na de oorlog keerde Henry Orenstein terug naar zijn geboortestad. Van de negenduizend joden waren er nog een handvol over. Hen werd duidelijk gemaakt dat ze zich beter uit de voeten konden maken, indien ze in leven wilden blijven. Daarom week Henry uit naar de Verenigde Staten, waar hij een succesvol ondernemer en weldoener werd"
Jacques Rommel

Ik zal levenHoe ik als Poolse Jood de Holocaust overleefde

€ 19,95
4 reviewsDeel je mening en spaar voor gratis verzendkosten
Aantal:
"Ik zal niet sterven. Ik zal leven. Ik zal het verhaal vertellen."

Henry Orenstein groeit op in een Joods gezin in het stadje Hrubieszów in Polen. Als op 1 september 1939 de Duitsers Polen binnenvallen is hij 16 jaar oud. Een aantal jaren weten Henry en de andere leden van het gezin uit de greep van de nazi's te blijven door te vluchten en onder te duiken. Op 28 oktober 1942 is vluchten niet langer mogelijk. Henry's ouders worden korte tijd later gedood en Henry en zijn broers en zus belanden in het concentratiekamp Budzy'n.

De geruchten over de oorlog die het kamp binnensijpelen zijn hoopvol, tegelijkertijd is hun leven iedere minuut van elke dag in gevaar. Ze balanceren voortdurend tussen hoop en vrees. In januari 1944 wordt in het kamp aangekondigd dat er Joodse wetenschappers, scheikundigen en wiskundigen worden gezocht voor een zogenaamd Chemiker Kommando. Henry meldt zichzelf, zijn broers, zus en enkele bekenden aan. Een vlaag van verstandsverbijstering? Of een briljante ingeving?

Ik zal leven is een waargebeurd verhaal, dat heel gedetailleerd laat zien in welke nachtmerrie Poolse Joden terechtkwamen toen de oorlog begon. De auteur zet zijn persoonlijke verhaal af tegen het grote decor van het door de oorlog verscheurde Europa. Daarmee geeft hij de lezer een beter perspectief op zowel de oorlog als de verschrikkingen van de Holocaust.

"Ik heb dit boek in één dag uitgelezen. Het is zo meeslepend geschreven dat ik het niet kon wegleggen. We moeten dankbaar zijn dat zo'n gedetailleerd verslag van een echte overlever nu ook voor de komende generaties bewaard is gebleven."
Simon Wiesenthal (1908-2005)

"Een belangrijke bijdrage die inzicht biedt in de feitelijke wreedheden van nazi-Duitsland, maar ook kennis geeft over de heldhaftigheid waarmee mensen zich hebben ingezet om onze broeders en zusters te helpen overleven."
Menachem Begin (1913-1992), voormalig minister-president van Israël

Reviews (4)

Deel je mening en spaar voor gratis verzendkostenSchrijf review

Inloggen

Wachtwoord vergeten?Registreren
Aangrijpend16 juli 2018
Een zeer aangrijpend boek van een man die zijn "tienerjaren" heeft moeten beleven in angst, ontbering en vernedering tijdens WO2 - een méér dan realistisch beeld over deze nooit te vergeten periode
De oorlog wordt huiveringwekkend voelbaar29 september 2013
De titel van dit ontroerende maar ook verbijsterende boek is een statement: een mens is geschapen om te léven en niet om dood te gaan in een concentratiekamp.

Eén Joodse jongen uit het gezin overleeft de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog. Hij beschrijft zijn bijna ongelooflijke levensverhaal en doet dat in de historische context van de gebeurtenissen. De oproep van dit boek is in het Hebreeuws: zachor, dat is de herinnering aan het verleden levend houden, gedenken. Dit speelt in het Oude Testament ook een belangrijke rol want zo blijft geschiedenis actueel en wordt het geen verhaal van het voorgeslacht maar míjn verhaal omdat ik mij met de voorvaderen verbonden voel.

Dit boek doet denken aan Het achterhuis van Anne Frank en Schindler’s list. Het motto staat aan het begin van het verhaal: ‘Ik zal niet sterven. Ik zal leven. Ik zal het verhaal vertellen’.

De jaren voorafgaand aan de oorlog is al een groeiend antisemitisme voelbaar: een ‘schaduw van de toekomst’. De eerste verhalen over massamoorden werden niet geloofd en de macht van de nazi’s nam toe: ‘Hitler was God, hij kon doen wat hij wilde’. Het Duitse leger werd door Rusland teruggeslagen en dat was voor de Joden in Duitsland een negatieve ontwikkeling: ‘Het was ironisch: goed nieuws was voor ons juist slecht nieuws’. Razzia’s boezemden grote angst in, de dreiging nam toe, geruchten van gaskamers deden de ronde.

Mensen verloren hun geloof: ‘In die omstandigheden vonden zelfs veel oprecht gelovige mensen het moeilijk om in God te blijven geloven. Nadat ze de moord op hun kinderen, hun ouders, hun broers en zussen hadden meegemaakt, vroegen ze zich af: ‘Als er een God is, hoe kan Hij dit dan laten gebeuren? Maar sommigen bleven rotsvast vertrouwen. Ze stierven met een lied op hun lippen: Hoor, o Israel, de Heer onze God, de Heer is één’.

De jongen maakt een tocht langs diverse kampen en lijdt ontberingen, ondergaat onmenselijke behandelingen, voelt diepe angst, hoort berichten over de invasie van de gealllieerden. Tegen het einde van de oorlog vinden de zogenaamde dodenmarsen plaats waarbij gevangenen voor de komst van de bevrijders uit naar andere plaatsen worden gebracht. Dat gebeurt te voet, waarbij velen omkomen van honger en zwakte en ter plekke worden achtergelaten.

Een indrukwekkend boek waardoor heel de oorlog huiveringwekkend voelbaar wordt!
Spannend en geloofwaardig13 februari 2018
Spannend en geloofwaardig
Subliem meesterwerk15 september 2015
Dit is een subliem meesterwerk zo mooi geschreven over iets door en door slecht,het is alsof je met de familie Orenstein op overlevingstocht bent,nogmaals gezegd het is prachtig boek en ik kan het aan iedereen aan bevelen die in dit onderwerp is geïnteresseerd

Recent bekeken

Ik zal leven

Ik zal leven

Henry Orenstein
€ 19,95

Over De Barbaar

De Barbaar staat voor passie en inspiratie. Voor leven in plaats van overleven. Voor lef en levenskunst.

  • Veilig betalen
  • Gratis retourneren
  • Op werkdagen voor 16:00 besteld, dezelfde dag op de post
  • h0183 - 581 696
  • thuiswinkelwaarborgThuiswinkel waarborg